Waarom een Spaans ijsje op vakantie altijd beter smaakt.
Waarom een Spaans ijsje beter smaakt op vakantie…
Sylvie staat al aan de vitrine. Ze wijst naar de framboos, zonder twijfel, alsof ze die keuze al de hele dag in haar hoofd had. Ik ga voor mango en iets met chocolade, want dat hoort voor mij bij vakantie. Thuis zouden we waarschijnlijk gewoon mokka nemen, maar hier in Calpe voelt het logisch om iets te kiezen dat je alleen op vakantie neemt.
Het eerste likje bevestigt wat we allebei al weten: een ijsje smaakt anders wanneer je in vakantiemodus zit. Niet omdat het zoveel beter gemaakt is, maar omdat je hoofd anders staat. Je hebt tijd. Je wandelt. Je kijkt rond. Je voelt de warmte. Alles gaat vanzelf trager.
We stappen verder langs de zee. Sylvie merkt op dat haar ijsje sneller smelt dan thuis. Ik zeg dat dat komt omdat we eindelijk eens niet moeten doorstappen naar iets. De bries is warm, de Peñón staat naast ons als een vaste vakantievriend, en het leven voelt even simpel.
Misschien smaakt een Spaans ijsje beter omdat je het eet op een plek waar je automatisch ontspant. Waar je anders kijkt. Waar je anders ademt. Waar je samen iets kleins doet dat toch blijft hangen.
Een bolletje mango met chocolade onder de Peñón de Ifach is gewoon iets anders dan een mokka‑ijsje op een doordeweekse dag in België. Het is een moment dat je onthoudt zonder dat je er moeite voor doet. En als je het samen doet, smaakt het nóg beter.
Daarom smaakt een Spaans ijsje beter. Omdat vakantie alles net iets beter maakt. En omdat je het deelt met iemand die het even hard voelt.